vrijdag 20 maart 2009

Goed voorbeeld doet goed volgen

Eerlijk gezegd weet ik al niet meer hoe lang het gelkeden is dat ik voor eerst kennismaakte met een aantal mensen met een ICT-achtergrond van verschillende roc's in de regio Zuid. Daar werden de ambities op tafel gelegd voor een groter samenwerkingsverband van roc's op het gebied van ICT. Niet gek lang daarna werd die bijeenkomst gevolgd door een bijeenkomst bij de MBO-raad (toen nog BVE-raad) die kan worden beschouwd als de oprichtingsvergadering van ROC-i-Partners.
In de jaren daarna groeide het initiatief uit tot een landelijk netwerk met een grote naam, gedragen door vrijwel alle mbo-instellingen, de MBO-raad, het ministerie van OC&W, Kennisnet, Surf en vele marktpartijen.

Inmiddels is het initiatief opgevolgd door een samenwerkingsverband op het gebied van facilitair beheer: het Facilitair Samenwerkingsverband ROC's (FSR). Even dacht ik nog: hoezo ROC's? Er zitten toch ook AOC's in die club? Maar dat heb ik maar weer ingeslikt toen ik dacht aan de naam van het ICT samenwerkingsverband...
Prima initiatief. Er zijn werkgroepen actief op allerlei terreinen, waaronder een werkgroep op het gebied van een Facilitair Management Informatiesysteem. (Zou het nou niet verstandig zijn om op dat terrein de samenwerking te zoeken met ROC-i-Partners? Daar zitten toch de slimme jongens die op zijn minst zouden moeten weten hoe je dit soort zaken aanpakt. Niet, dat de FSR-mensen geen slimme jongens zouden zijn, maar toch.)
In elk geval zijn ze nog niet zo ver dat ze al volop de publiciteit zoeken, alsthans niet op internet. De gereserveerde webpagina's bij de MBO-raad ogen nog akelig leeg. Misschien inderdaad eens aankloppen bij die ICT-jongens?  :-)

Eigenlijk zijn er nog meer van die clubs aan het ontstaan. Kijk maar naar PARELL als het gaat over onderwijslogistiek...

Voor heel slimme mensen

Soms kom je het zelf tegen, soms word je er op gewezen, van die geinige dingen ergens op het internet. Verslavend tot en met want opgeven is er natuurlijk niet bij.

Nieuwsgierig? En heeeel slim? Dan probeer hem Impossiblequiz maar: the impossible quiz...

zondag 8 maart 2009

Verkeerde studiekeus en uitval

Een paar dagen geleden stond in de Volkskrant een artikel 'Weg van school na foute keuze'. Onderzoek toont aan dat pakweg 20% van de uitval in het MBO wordt veroorzaakt door een verkeerde studiekeuze. Onderzoeker Meng vindt dat het probleem topprioriteit moet krijgen. Men is van mening, dat als studenten verkeerd gekozen hebben, ze zo snel mogelijk weer aan een nieuwe opleidingen moeten worden geholpen. Als ze een half jaar thuiszitten is de kans groot dat ze helemaal niet meer naar school gaan. Hij onderschrijft de suggestie van Plasterk om nog eens na te denken over de vroege studiekeuze.

Wat me opvalt aan dit artikeltje is het moment: 5 maart 2009. Alsof dit een nieuw inzicht is. Dit wisten we allemaal al lang. Er wordt al lang grote prioriteit gegeven aan een goede voorlichting, een 'warme overdracht, intake, een orientatieperiode. En al die instellingen die worstelen met het realiseren van meerdere instrommomenten doen dat nou juist om te voorkomen dat uitvallers een half jaar moeten wachten voor ze aan een nieuwe opleiding kunnen beginnen! De nieuwswaarde zit hem dus in iets anders.
Eigenlijk geeft het artikel aan, dat er tot nu toe sprake is geweest van een aanname van een correlatie tussen (verkeerde) studiekeus en uitval. En dus van beleid en maatregelen (periodisering en meedere instroommomenten), gebaseerd op die aanname. Nu is er dan de verlossing à la Dijsselbloem: er is een wetenschappelijke onderbouwing. Er is 'evidence'.

Begrijp me niet verkeerd: prima dat het onderzocht wordt. We krijgen beter inzicht in de omvang van het probleem. Beleid kan nog verder worden toegespitst op wat er nu bekend is. Mijn beetje cynische benadering betreft dan ook niet het onderzoek maar juist die roep om evidence. Moet gebeuren, maar wel op een verstandige manier. Veel aannames over wat werkt zijn blijkbaar nog niet zo slecht...

Opleidingen ontwerpen (2) - Aannames over flexibiliteit

In de vele discussies en gesprekken die ik inmiddels gevoerd heb met mensen over onderwijs en dan met name flexibel(er) onderwijs, dan blijkt dat de beelden die veel mensen hebben, gebaseerd zijn op bepaalde aannames. Een aantal van die aannames blijken in de praktijk helemaal niet te (hoeven) kloppen maar leiden wel tot weerstanden of ontwerpfouten.

Een bekend voorbeeld van zo'n aanname is, dat flexibiliteit betekent dat studenten meer te kiezen hebben. En dat leidt vervolgens tot allerlei beelden van Iederwijs-achtige toestanden waarbij een student altijd mag kiezen waar hij zin in heeft, van studenten, die helemaal niet kunnen kiezen of van ongelooflijk complexe roosters vanwege al die individuele leertrajecten.
Als je op een andere manier naar flexibiliteit kijkt, blijkt dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat er sprake is van heel veel keuzemogelijkheden voor een student.
Neem nu het uitgangspunt dat de leerloopbaan van de individuele student centraal staat (en in welke onderwijsvisie staat dat tegenwoordig nou niet?). Elke student is anders, heeft andere voorkeuren en andere leervragen. En in plaats van al die studenten bij elkaar in een klas te stoppen en een standaardprogramma aan te bieden probeert de onderwijsinstelling zoveel mogelijk aan te sluiten bij die individuele student, krijgt die student wat hij nodig heeft om zijn opleiding met goed gevolg te doorlopen. Dat kan betekenen, dat de ene student bepaalde vakken (leereenheden) in een bepaalde volgorde moet doorlopen, terwijl een andere student dat in een andere volgorde of volgens een andere methodiek doet. Vaiëteit dus. Om die variëteit te kunnen hanteren (ofwel: om die verschillende leerroutes te kunnen organiseren), zal een onderwijsorganisatie flexibel moeten zijn. Maar in dit voorbeeld is helemaal geen sprake van een keuze voor die studenten!

En dan die voortdurende misverstanden over 'standaardiseren om te flexibiliseren'. In het onderwijs is ‘standaardisatie’ of het werken met ‘standaarden’ over het algemeen een moeizaam traject dat tot veel discussies leidt. Om te beginnen komt dat door het negatieve beeld dat het oproept bij veel mensen. Standaardiseren wordt juist geassocieerd met uniformiteit, met hetzelfde voor iedereen. Dat zou niet passen in het onderwijs omdat opleidingen nou eenmaal verschillend zijn en dus verschillende eisen stellen, mensen verschillend zijn en dus een andere benadering nodig hebben. En op zich klopt dat helemaal! Dat betekent echter niet, dat standaardisatie niet nodig is. Het betekent dat het beeld dat mensen hebben van standaardisatie moet worden bijgesteld.

Stopcontact Een voorbeeld, dat steeds weer opnieuw wordt gebruikt om het belang van standaardisatie te demonstreren is dat van het stopcontact (omdat stopcontacten zijn gestandaardiseerd zijn wij flexibel om verschillende apparaten op willekeurig welke plek te gebruiken). Daar valt wel wat op af te dingen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan adapters die het standaardvoltage omzetten in een aan het desbetreffende apparaat aangepast voltage. Standaarden kunnen dus worden omzeild. Dat is echter niet kosteloos. Denk maar aan al die losse adapters die door het huis zwerven en uiteAdaptersindelijk allemaal in één la terecht komen. Vertaal dat beeld eens naar een organisatie waar ruimte geboden wordt om van een vastgestelde standaard af te wijken (waar adapters worden toestaan) en wat er allemaal aan extra werkzaamheden wordt gevraagd van de ondersteunende diensten. Elke aanpassing moet immers op verschillende plaatsen worden verwerkt met het risico dat dat niet consequent gebeurt. Bovendien vergt elke aparte oplossing weer extra beheerinspanningen.

Standaarden hebben lang niet altijd met flexibiliteit te maken. Ze kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de herkenbaarheid van de organisatie (huisstijl), kwaliteit (voldoen aan vastgestelde normen) of zelfs cultuur (‘dit zijn onze manieren’). De belangrijkste afspraken waarmee flexibiliteit kan worden bevorderd, hebben betrekking op tijd (begin- en eindtijden in een rooster, startmomenten van onderwijsperioden, doorlooptijd van modules, dat soort dingen) of de informatievoorziening. Die standaarden zijn belangrijk op plaatsen waar twee verschillende elementen in een systeem raakvlakken hebben met elkaar. Als een student moet kunnen overstappen van de ene naar de andere opleiding of gebruik moet kunnen maken van onderdelen van een andere opleiding is er sprake van koppelvlakken. Die koppelvlakken moeten op elkaar passen (tijd). En op die koppelvlakken wordt informatie uitgewisseld. Er gaan immers studentgegevens mee van de ene naar de andere opleiding. Het is dan logisch dat de volgende aspecten zijn gestandaardiseerd:

  • gegevens (bijvoorbeeld de actuele stand van zaken, behaalde resultaten)
  • gegevensstructuren (de context waarin die gegevens moeten worden geïnterpreteerd, bijvoorbeeld het kwalificatiedossier)
  • processen waarmee die gegevens worden overgedragen, verwerkt en geïnterpreteerd
  • informatiesystemen, waarin die gegevens zijn opgeslagen

Stel je voor, dat een student zich na verloop van tijd realiseert dat de gekozen opleiding toch niet de juiste is. Hij besluit over te stappen naar een andere opleiding. Het uitgangspunt is, dat behaalde resultaten zoveel mogelijk moeten meetellen.
De ene opleiding registreert de resultaten in de vorm van rapportcijfers, de andere in de vorm van studiepunten. Bij de overstap zal eerst een interpretatie en vervolgens een conversie van de resultaten moeten plaatsvinden.
De ene opleiding werkt nog in de oude kwalificatiestructuur met eindtermen, de andere opleiding is al competentiegericht. De behaalde resultaten moeten dan geïnterpreteerd worden in een heel andere context.
Bij de ene opleiding wordt de overplaatsing normaal gesproken geregeld door de administratie, bij de andere is het de loopbaanbegeleider, die de administratieve afhandeling doet. Dat kan er toe leiden dat de informatie op de verkeerde plek terecht komt.
De opleidingen in dit voorbeeld hebben natuurlijk elk hun administratieve systemen. Dat vereist nogal wat werk om de gegevens van het ene systeem in het andere te krijgen, waarbij de kans op fouten erg groot is.
En h
oewel de deelnemer aan het einde van een periode overstapt, gaat er nog een tijd overheen voordat hij kan beginnen omdat de nieuwe opleiding een andere jaarindeling hanteert. Hij zal dus nog een poos moeten wachten voor hij in het programma kan instappen.

Bekijk dit voorbeeld nou nog eens maar dan op basis van het werken met standaarden. Het verschil zal duidelijk zijn...

zondag 1 maart 2009

Overheid 2.0 gaat verder...

Een tijdje geleden schreef ik een berichtje over een initiatief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) over het programma Overheid 2.0. Dat berichtje heeft toen wat impact gehad.

Inmiddels is er een website (via Ning) gerealiseerd waar je je kunt aanmelden als denker. En tegelijkertijd is er een nieuwe wedstrijd gelanceerd. Via de website kun je innovaties aanmelden en meepraten en -denken over die innovaties. Bovendien kun je er een stem op uitbrengen al heb ik op de website nog niet kunnen vinden hoe dat precies moet.

Door je in te schrijven als lid, kan je innovaties insturen en reageren op innovaties. Het netwerk hoopt een groot bereik te hebben, om op die manier zoveel mogelijk succesvolle en kansrijke innovaties te verzamelen. Elke innovatie uit de top 10 krijgt €10.000 van de Staatssecretaris, zodat ze met dat geld kunnen beginnen het te gaan verspreiden. In april moet de top 10 bekend zijn.

Wie weet, leidt dit berichtje ook weer tot innovaties, al zou ik niet weten, waarom ik zelf ook niets eens zou kunnen nadenken over het indienen van een hemelbestormende innovatie...

Opleidingen ontwerpen (2) - het waarom van flexibiliteit

Er is heel veel gaande op het gebied van het herontwerpen van het (beroeps)onderwijs. We zijn er met zijn allen mee aan het worstelen. In de afgelopen weken zijn me een paar dingen duidelijk(er) geworden. Veel van die dingen heb ik altijd beschouwd als open deuren: om zoiets complex als flexibilisering te kunnen realiseren, moet je toch iets van een visie formuleren. Om te flexibilseren moet je standaardiseren. En flexibiliteit is iets dat zich voor een belangrijk deel afspeelt op een opleidingsoverstijgend niveau, dat kun je dus vaak binnen een opleiding of opleidingsteam niet oplossen.

Denken over Evidence based practice

Zo af en realiseer ik me, dat mijn gedachten, en overtuigingen niet zo heel consistent zijn. Neem nou de ophef over pseudomedische apparatuur. Pure kwakzalverij. Ik ben al jaren grote fan van de Vereniging tegen Kwakzalverij omdat ik vind, dat mensen worden geschaad door allerlei pseudomedische praktijken.
Een absoluut verbod tegen allerlei vormen van alternatieve zorgverlening wil ik nou ook weer niet bepleiten omdat het placebo-effect dat daar van uitgaat, nou ook weer niet onderschat moet worden. Dat ziektekostenverzekeringen veel van die praktijken vergoeden is me een doorn in het oog, nou ja, doorntje. Het zou immers best kunnen zijn dat het economisch voordeliger is dit te vergoeden waardoor mensen minder beroep doen op de (veel duurdere) reguliere gezondsheidszorg. Maar dat is een aanname.

Tot zover mijn standpunt over kwakzalverij.

De roep om Evidence Based Practice in het onderwijs maakt bij mij heel andere gevoelens los. Het roept een gevoel van weerstand op. In het licht van het bovenstaande is het wel interessant om dat (bij mezelf dan) eens te onderzoeken.
Even voor alle duidelijkheid, ik ben absoluut voorstander van het streven naar meer Evidence Based Practice in het onderwijs. Wat zijn vormen van onderwijs die passen bij bepaalde leerdomeinen bij bepaalde leerlingen? Hoe meer we daarvan weten, hoe beter we in staat zijn de effectiviteit van het onderwijs te verbeteren.
Waar komt dan mijn gevoel van 'weerstand' -of beter 'onbehagen'- vandaan als de roep om meer evidence in het onderwijs zo luid klinkt?
Naar mijn idee wordt het te pas en te onpas gebruikt in de discussie rond competentiegericht onderwijs en dan met name door de fervente tegenstanders. Nou zijn die ook niet vies van het roepen van allerlei niet onderbouwde aannames en drogredenen'. Ook zie ik niet zoveel wetenschappelijke onderbouwing voor de effectiviteit van de meer traditionele onderwijsvormen in de huidige samenleving van hun kant. Daar ligt voor mij misschien wel de oorzaak van mijn gevoel van onbehagen: het feit van het ontbreken van een (volledige) wetenschappijke onderbouwing wordt beschouwd als het bewijs dat het dus niet deugt, als een beschuldiging van onderwijskundige kwakzalverij!

Het moeizame verloop van de invoering van CGO is (naar mijn persoonlijke opvatting: geen bewijs dus) veeleer op te vatten als een organisatie- en implementatieprobleem dan als een onderwijskundig probleem. Laten we bij het zoeken naar meer evidence dus ook met name kijken naar de organisatorsche onderbouwing. Daar wordt in elk geval ook aan gewerkt!

En verder: Geen Evidence Based Practice zonder Practice Based Evidence.

Wat nog helemaal niet duidelijk is, wat je moet doen met 'minder wetenschappelijke' onderwijsvormen. Verbieden? Het lijkt me duidelijk dat dat gebeurt als het aantoonbaar schadelijk is voor de leerling of student. Maar verder lijkt het me lastig. Kijk nou naar wat er momenteel gebeurt met de resultaten van het inspectieonderzoek naar een aantal alternatieve scholen. Sluiting dreigt. Ik ga geen oordeel vellen over het onderzoek of de resultaten, want ik die niet bestudeerd. En het is ook geen wetenschappelijk onderzoek al mag je hopen, dat de standaarden wel zijn gebaseerd op een wetenschappelijke onderbouwing van wat werkt!
Uit een toelichtend artikel blijkt, dat de leerlingen wel degelijk baat hebben bij die vorm van onderwijs. Nou ja, het is een weergave van een gesprek met iemand (geen bewijs dus) maar laten we aannemen, dat het klopt. Blijkbaar gaat het hier over vormen "vormen van onderwijs die passen bij bepaalde leerdomeinen bij bepaalde leerlingen". Misschien is het niet eens de vorm van onderwijs maar de persoonlijke aandacht, die dit resultaat opleveren (zoals een homeopaat niet door de behandeling maar door veel persoonlijke aandacht een patiënt over een drempel heen helpt). Is het niet het resultaat dat telt?
Maar ja, kwakzalverij laten bestaan omdat mensen denken dat het ze kan genezen, is voor mij echt niet voldoende om dat te gaan ondersteunen.
Ik ben er nog niet helemaal uit.