woensdag 22 januari 2014

Goede start met Learning Analitics bij Noorderpoort

(bron: http://learntech.rwth-aachen.de/LA-EDM_1213)
Het Noorderpoort heeft in samenwerking met Sambo-ICT en Kennisnet de uitdaging opgepakt om aan de slag te gaan met het thema 'learning analitics'. Kort gezegd komt dat er op neer dat je als onderwijsinstelling probeert causale verbanden te ontdekken uit een enorme berg beschikbare gegevens (big data). Dat kan leiden tot inzicht in bepaalde relaties of trends. Het rapport kun je downloaden bij Kennisnet

In dit project ging het om ervaring op te doen met het learning analytics door te gaan zoeken naar de relatie tussen bepaalde gegevens, die beschikbaar zijn bij de aanmelding en het studiesucces van een student. Wanneer je zo'n relatie kunt aantonen, biedt dat veel mogelijkheden voor een gericht studieadvies of (extra) begeleiding tijdens het studietraject.

Het rapport gaat vooral over de aanpak en de ervaring, die dat heeft opgeleverd bij de casus Noorderpoort.
Nadat ik het rapport had gelezen, was ik bijzonder positief over een aantal aspecten, al heb ik wat kanttekeningen bij de opzet en sommige formuleringen. Tegelijkertijd ben ik ook wel een beetje teleurgesteld over de concrete resultaten. Nu zou het natuurlijk heel bijzonder zijn als er meteen heel duidelijke resultaten naar voren zouden komen. We hebben immers met zijn allen nog heel veel te leren over de aanpak van zo'n traject. Mijn teleurstelling heeft dan ook niet zozeer te maken met het beperkte resultaat maar met het oppoetsgehalte in de beschrijving van die resultaten. Sommige resultaten worden naar mijn idee wat mooier voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn. 

Eerst wat sterke punten:

  • Al meteen in de inleiding maakt het rapport duidelijk, dat onderwijsinstellingen wat stappen overslaan bij veranderingen in processen. Zo worden stappen als een duidelijke probleemdefinitie en oplossingsdefinitie vaak overgeslagen. In de praktijk wordt een veranderingstraject dan ook vaak ingezet op basis van wat aannames. Heel herkenbaar. 
  • De opbouw van het rapport, waarbij eerst de acht stappen duidelijk worden beschreven en met de casus Noorderpoort worden verhelderd. De stappen zijn achtereenvolgens:
  • Relevante vraagstukken bepalen.
    • Ethiek en professionaliteit van de docent bezien
    • Onderzoeksteam inzetten
    • Literatuuronderzoek uitvoeren
    • Processen inventariseren
    • Data analyseren
    • Resultaten presenteren
    • Procesaanpassingen ontwerpen.
(De eerste 3 stappen vormen de voorbereidingsfase, de overige stappen vallen onder de uitvoeringsfase.)
  • Definitie van studiesucces. Het begrip studiesucces is voor de meeste mensen een duidelijk begrip. Totdat je moet aangeven, wat je er wel en niet onder verstaat. In dit project is gekozen voor eenvoudige maar duidelijk criteria: diploma, opleidingsduur en het switchen van opleiding. De verschillende factoren zijn getoetst op elk van deze criteria. 
  • De verschillende schema's en modellen bieden een goed inzicht.
Maar ook een paar kanttekeningen:
Er zitten wat onvolkomenheden in een aantal beschrijvingen. Misschien geen zwaarwegende dingen, maar mij stoort het nu eenmaal als dingen niet goed worden neergezet. Neem nu het voorbeeld hiernaast. Het is de beschrijving van een probleem, een mogelijke oplossing en een onderzoeksvraag. Alleen, wat hier staat als mogelijke oplossing is helemaal geen mogelijke oplossing. Staat niet in zo'n rapport.
Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn: een vroegtijdige signalering kan helpen bij het het verbeteren van het studiesucces.






Wat betreft de uitkomsten: daar staan zeker interessante dingen in. Bij een paar uitkomsten heb ik toch wel wat bedenkingen. Daar had ik op zijn minst wat extra toelichting bij verwacht. Zie onderstaand voorbeeld: Als het eindniveau 2 niveaus verschilt van het beginniveau kan het niet anders dan dat een leerling is geswitched. Om dan te concluderen dat die mensen 89% meer kans hebben op een switch, dat voegt niets toe. Dat vind ik een beetje jammer...

Alles bij elkaar toch een goede start van een veelbelovend en boeiend nieuw terrein!

ICT-monitor versus benchmark

Tijdens de saMBO-ICT-conferentie werden de resultaten van de eerste ICT-monitor gepresenteerd door saMBO-ICT en Kennisnet. Ik was daar erg nieuwsgierig naar al mag mij daarbij enig opportunisme worden aangerekend. M&I/Partners voert immers jaarlijks de ICT Benchmark BVE uit. Met onze ervaringen hebben we nog wat input geleverd aan de ICT Monitor.

Nu zijn er best wat verschillen tussen de monitor en de benchmark:
  • De monitor is voor een groot deel een verlengstuk van de 4-in-balans monitor van Kennisnet met een een paar vragen over ICT-kosten en -investeringen. De benchmark gaat naast onderwerpen als inrichting van de ICT-afdeling en ICT-volwassenheid voor het overgrote deel over het Total Cost of Ownership (TCO) van de ICT. De benchmark ligt daarom logisch gezien in het verlengde van de monitor, vooral als de resultaten aanleiding geven nog eens dieper in te gaan op de kosten. 
  • Er is een behoorlijk groot verschil in kwaliteit van de gegevens. De monitor kent geen validatie. Dat betekent dat organisaties wat vragen of begrippen anders definiëren, waardoor de uitkomsten toch voor een deel berust op het vergelijken van appels en peren. Voor een monitor die een impressie van de stand van zaken wil geven minder erg dan voor een benchmark, waar de onderlinge vergelijking heel belangrijk is. Daar moet je er als instelling zeker van kunnen zijn dat appels met appels worden vergeleken.
  • De monitor is gratis en is in pakweg een halve dag in te vullen. Deelname aan de benchmark is niet gratis. Bovendien zal een instelling er vanwege de diepgang meer tijd in moeten steken om alle gegevens boven water te krijgen. 
Tijdens de presentatie van de ICT-monitor was duidelijk dat deelnemers vaak veel moeite hadden met de interpretatie van de vragen. Omdat er geen validatie plaatsvindt, is de betrouwbaarheid van de gegevens heel beperkt. De resultaten van de monitor worden binnenkort gepubliceerd op de website van saMBO-ICT. Voor instellingen waarbij de monitor vragen oproept, kan een nader onderzoek uitkomst bieden. In dat geval is een benchmark een goed instrument.

Bij de ICT Kostenbenchmark BVE gaat het 'verbeteren door te vergelijken'. Zo'n benchmark geeft inzicht in de eigen situatie, ook waar je staat ten opzichte van andere instellingen. De analyse levert een 'verhaal achter de cijfers', verklaringen voor verschillen of bepaalde vraagstukken. En het levert een aantal verbeterpunten op.

Martijn Broekhuizen vertelde het verhaal van het Noorderpoort in Groningen. Noorderpoort deed mee aan de benchmark in 2009. Daarna is een Masterplan ICT in gang gezet. De benchmark 2014 moet uitwijzen of het Masterplan heeft gebracht waarvoor het bedoeld was: meer functionaliteit voor minder geld.





Het is nooit eenvoudig om de batenkant in beeld te brengen. ICT kost veel, maar wat levert het op? Een nieuw onderdeel in de benchmark laat zien hoe de kosten verdeeld worden over het Triple A applicatielandschap. De praktijk zal nog moeten uitwijzen hoe dat het beste kan gebeuren en welke inzichten het oplevert.



Er is al nagedacht over een aantal manieren waarop die baten in beeld kunnen worden gebracht. Samen met de benchmarkdeelnemers worden de verschillende mogelijkheden onderzocht om dat te doen. En dat alles om de organisatie te overtuigen van het belang van ICT. Een variant van de beroemde uitspraak van John F. Kennedy maakt het duidelijk:
Vraag niet wat ICT kost, vraag wat het van je kan betekenen!

maandag 20 januari 2014

Verbeteringen onderwijslogistiek bij het Drenthe College (#sambo-ict)

(bron: Volkskrant)
Jaap de Mare en Jacco Heikoop geven op de saMBO-ICT-conferentie een toelichting over het veranderingstraject Onderwijslogistiek bij het Drenthe College.
Het Drenthe College is op een aantal punten wat anders dan anderen. Zo is het een van de weinige roc's met Magister als studentadministratiesysteem. Verder kent het DC ook de functie van planner naast die van roostermaker. Het functioneel beheer is (weer) ondergebracht bij ICT in plaats van, zoals min of meer gebruikelijk, bij de functionele eenheden.

De aanleiding voor het onderwijslogistiek project was Focus op Vakmanschap. Met het verkorten van opleidingen en een toename van het aantal lessen zal er een grote druk op het rooster komen te staan.

Jaap de Mare hanteert voor het Drenthe College een vereenvoudigde definitie van onderwijslogistiek:
  1. Zo goed mogelijke roosters ...
    (Maar wat is een goed rooster? Dat is niet makkelijk in beeld te brengen.)
  2. ... waarin het volledige onderwijsprogramma wordt gerealiseerd ...
    (Veel keuzes worden al in het curriculum gemaakt. Het is een gegeven dat er weinig overleg is over de afstemming tussen teams / opleidingen.)
  3. ... voor alle studenten / groepen ...
    (Groepsgroottes zijn belangrijk. De norm is 1:22 (3.350 € / voltijdsstudent). Dat leidt tot een gemiddelde groepsgrootte van ongeveer 16 studenten.)
  4. ... gegeven de beschikbare ruimtes (lokalen) ...
    (Er is een trend naar minder maar beter bruikbare ruimtes.)
  5. ... en gegeven het beschikbare budget (docenten, instructeurs, materialen).
    (Hier zijn nog allerlei uitdagingen zoals een beperkt budget, uitstroom van docenten, noem maar op.)
Het project draait rond vijf thema's
  • Organisatie
    • Richt een functionele kolom onderwijslogistiek in met een coordinator aan het hoofd.
    • Organiseer planning en roostering per locatie. Dat brengt de onderwijslogistiek dicht bij de vloer in tegenstelling tot centrale roosterafdelingen. 
    • Perioderoosters worden door planners gemaakt. Week- en dagroosters worden gemaakt door administratieve medewerkers. 
    • Praat met studenten, niet alleen over studenten, met name voor wat betreft de vraag 'wat is een goed rooster?'
  • Proces
    • Bedrijfsregels afspreken
    • Afspraak is afspraak, geen vrijblijvende deadlines
    • Rol teammanagers is cruciaal: standvasting en beslisvaardig
    • Alle stakeholders betrekken
  • Meten is weten: rapportages over
    • inzet van docenten (gepland en gerealiseerd) 
    • groepsgroottes
    • uren onderwijs per docent / team
    • gebruik van lokalen (per type lokaal, zowel in uren als in stoelen)
    • aantal roosterwijzigingen
    • kwaliteit van het rooster (op korte termijn moeilijk vast te stellen).
      Een roosterautomaat optimaliseert het rooster op kwaliteit. Dat gaat over afspraken (aantal tussenuren, niet te veel moeilijke vakken achter elkaar, zelfs looprichting van studenten bij leswisselingen)
  • Applicaties
    Hierbij gaat het om input, processtappen en applicaties. Zo staan curricula in Word, de planning in Excel, roosters worden gemaakt in Untis, aan- en afwezigheid en formatief resultaatbeheer wordt bijgehouden in Magister.
    Op dit moment zijn er maar weining applicaties beschikbaar op markt voor de onderwijsplanning (plan van inzet)..
  • Kennis en scholing
    • Training onderwijslogistiek voor planners en roostermakers. 
    • Training onderwijslostiek voor onderwijsmanagers
    • Gluren bij de buren
Er volgde nog een discussie over de invloed van docenten persoonlijke met wensen op het rooster. Verschillende voorbeelden passeerden de revus:
Een docente wil niet werken op woensdagmiddag in verband met een kind op de basisschool. Na 12 jaar staat die afspraak er nog steeds. Een docent, die niet om half negen wil beginnen 'omdat het fietspad dan zo vol is'. Keuzevrijheid bij het invullen van de BAPO is ook een beruchte.
In de organisatie moet je er eigenlijk voor zorgen dat (alleen dringende) roosterwensen door een teammanager of directeur worden goedgekeurd. En verder geen rechtstreeks contact tussen docent en roostermaker.

dinsdag 17 december 2013

Systeemdenken geeft inzicht

Het lijkt een open deur. Als je systematisch werkt aan het oplossen van problemen lukt dat beter dan wanneer je dat op een chaotische manier probeert. (Persoonlijk ben ik er van overtuigd, dat je best een beetje chaos mag gebruiken om creativiteit en dus oplossingsgericht denken te stimuleren.) Oplossingen bedenken doe je pas als je het probleem helder hebt. Systeemdenken helpt daarbij.

Nog niet zo lang geleden heb ik een workshop gehouden om bestaande problemen binnen een complex proces in kaart te brengen. Daarvoor hebben we gewerkt met causaliteitsdiagrammen. Causaliteitsdiagrammen vormden indertijd de basis voor het wereldmodel van Forrester, waar de rapporten van de Club van Rome over 'Grenzen aan de groei' op zijn gebaseerd. 

Met een causaliteitsdiagram breng je oorzaak en gevolg in een systeem (proces) met elkaar in verband. Op die manier ontstaat inzicht in de werking van het systeem. Welke factoren beïnvloeden elkaar? Een factor waar veel pijlen vandaan komen, biedt perspectief als aangrijpingspunt voor veranderingen in het systeem. Een factor, waar veel pijlen bij elkaar komen, is geschikt als indicator.

Tijdens mijn workshop heb ik in elk geval ervaren, dat systeemdenken voor veel mensen niet zo heel simpel is. Het opstellen van zo'n diagram is in de praktijk  minder makkelijk dan het in eerste instantie lijkt. Het belangrijkste probleem is de manier waarop mensen de betekenis van de pijlen interpreteren. Er zijn twee typen pijlen: versterkend en omkerend. De eerste pijl betekent in feite niets anders dan: 'als dit groter wordt, wordt dat ook groter' (meer studenten betekent meer inkomsten). Het betekent natuurlijk ook: 'als dit minder wordt, wordt dat ook minder' (minder studenten = minder inkomsten).  

De tweede pijl betekent dan: 'als dit groter wordt, wordt dat kleiner' (meer uitvallers betekent minder studenten). 
In een uitleg is het allemaal heel simpel. Het probleem is, dat men de pijlen vaak als 'positief' en 'negatief' aanduidt, (zoals ook hier op Wikipedia). En juist dat maakt het lastig. Zo gauw een pijl er voor zorgt dat er een factor afneemt, wordt die als snel als negatief bestempeld, terwijl het ook kan gaan om een versterkende pijl (dus eigenlijk een +-teken). Dan ontstaat er verwarring in de groep. Goede ervaring om een volgende rekening mee te houden! 

Inmiddels bleek een van mijn collega's, Vincent Ruijter (in samenwerking met Twan Zoetmulder), een mooie Prezi te hebben gemaakt, die het systeemdenken nog eens duidelijk uitlegt. Doe er je voordeel mee!

maandag 2 december 2013

LeerKRACHT voor excellent onderwijs

Mijn kinderen zijn het huis al uit, maar ik kan me nog een ouderavond herinneren waarbij de juf de avond voor alle ouders aftrapte met: "Ik ben de leerkracht van jullie kind. Eigenlijk vind ik het woord 'leerkracht' een erg lelijk woord". Zo, de toon was gezet. Ik zei, dat ik toch wat anders over dacht: "Je bent letterlijk de kracht die kinderen laat leren. Prachtig toch?"

De afgelopen jaren staat de kwaliteit van docenten heftig in de belangstelling. Je leest in elk geval overal dat de kwaliteit van het onderwijs valt of staat met de kwaliteit van docenten. Ook de McKinsey-rapporten, waar ik onlangs over schreef, geven dat aan.

De stichting LeerKRACHT wil inspelen op de ambitie om ook als Nederland te excelleren op onderwijsgebied. Daarbij geven ze aan dat "het Nederlandse onderwijs beter is dan we denken maar niet zo goed als we zouden willen". In elk geval blijft het Nederlandse onderwijs al jarenlang op hetzelfde niveau hangen, ondanks alle vernieuwingen en innovaties.
LeerKRACHT gelooft met het McKinsey-rapport in de hand, dat het mogelijk is om het onderwijs te verbeteren door docenten zelf een rol te geven in hun eigen professionalisering. De kern van de aanpak is in wezen heel simpel: het gaat om een serie interventies waarin vier processen centraal staan:
  1. Lesobservaties om docenten van elkaar te laten leren en elkaar feedback te geven (‘peer review’)
  2. Gezamenlijke voorbereiding van lessen. Docenten wisselen ervaringen uit en helpen elkaar lessen beter te maken.
  3. Effectieve, korte teammeetings, waarin docenten en schoolleiders leerlingresultaten bespreken en verbeteracties afspreken.
  4. Schoolleiders die sterk aanwezig zijn op de werkvloer en in de les. Schoolleiders die 20% tot 40% van hun tijd aan docenten en de verbetering van onderwijskwaliteit besteden.
In deze aanpak gaat het niet om een groots plan en vage vergezichten. Onder het motto 'elke dag een beetje beter' werken docenten en schoolleiders samen aan een andere cultuur op basis van een aantal uitgangspunten.



De aanpak is op 16 pilotscholen uitgeprobeerd. De bedoeling is, dat de aanpak de komende jaren verder wordt uitgerold op veel meer scholen.

PS: In een recente blog van Frank van Hout geeft hij een reactie op het boek 'Het Alternatief' onder de titel 'Het alternatief bestaat niet, maar een alternatief is hard nodig'. Misschien is dit een goede stap in die richting?  

vrijdag 29 november 2013

Hoe maak je een goed onderwijssysteem?

Begin 2013 kwam Coen Free, de voormalig voorzitter van het CvB van het Koning Willem I College met een schotschrift over het onderwijs: 'His Masters Voice'. Daarin hield hij een pleidooi voor een nieuw onderwijsbestel. Meestal wordt in dergelijke pleidooien Finland aangehaald als het voorbeeld van een goed onderwijssysteem. Dat levert nog wel wat vragen op.
Zou het werken als je dat één op één zou kopiëren naar Nederland? Wij hebben immers een andere cultuur en traditie. Hoe moet je dat eigenlijk aanpakken, een nieuw onderwijsbestel?

In 2007 kwam McKinsey met het rapport "How the World’s Best-Performing School Systems Come Out on Top". Het rapport stelt, dat ondanks alle investeringen en innovaties in het onderwijs het rendement nauwelijks is toegenomen. Dat leidt tot de vraag wat eigenlijk de kernindicatoren zijn van een goed onderwijssysteem.
De kernconclusie van dat rapport kwam neer op drie elementen:
  • Getting the right people to become teachers;
  • Developing them into effective instructors; and
  • Ensuring the system is available to deliver the best possible instruction for every child.
Dit werd uitgewerkt naar een aantal factoren:

Het rapport beschrijft een aantal schoolsystemen van landen of regio's met goede onderwijsresultaten. Singapore, Canada, Finland zijn beende voorbeelden van landen die consequent hoog scoren op intenationale prestatierankings zoals PISA.

Recent kwam een vervolg uit op dat rapport: "How the World’s Most Improved School Systems Keep Getting Better". Dat rapport beschrijft de factoren die er toe leiden dat een onderwijssysteem steeds beter wordt: van matig naar redelijk, van redelijk naar goed, van goed naar heel goed en van heel goed naar excellent. In het rapport worden 20 onderwijssystemen onderzocht, waarin in de afgelopen jaren een sterke verbetering is gerealiseerd. Het onderzoek richtte zich onder meer op de interventies die zijn ondernomen, afhankelijk van de fase waarin een systeem zich bevindt. Een globaal overzicht van die interventies:

  • Van matig naar redelijk
    In dit stadium gaat veel aandacht naar de basisvaardigheden als rekenen en taal in het curriculum, ondersteuning van leraren, een basiskwaliteitssysteem waar alle scholen aan moeten voldoen.
  • Van redelijk naar goed
    Meten van prestaties, verantwoordelijkheden beleggen bij docenten en scholen en verder zorgen voor een goede financiering, organisatiestructuur en pedagogische modellen.
  • Van goed naar heel goed
    Waardering van het beroep van docent en schoolleider. Dit vergt goede opleidingen en carrièrepaden om status aan het beroep te kunnen verlenen, vergelijkbaar met arts of advocaat. 
  • Van heel goed naar excellent
    Hier gaat het om het verleggen van de sturing van de verbetering van het systeem naar de scholen. Hier gaat het om kwaliteitsverbeteringen door een andere cultuur in scholen: peer-based learning voor docenten zodat ze ervaringen uitwisselen en samenwerken. Het systeem ondersteunt innovatie en experimenten.

Over de fasen heen is te zien dat het accent verschuift van een centrale aansturing naar een sturing op school niveau en een verantwoordelijkheid bij professionele docenten.

Naast de min of meer fase gebonden factoren is er sprake van interventies die over alle fasen heen gaan maar wel verschillen per fase. Het gaat om interventies als aandacht voor een vernieuwing van het curriculum, de beloningsstructuur voor docenten, professionalisering van docenten en schoolleiders, examinering, registratiesystemen en ruimte voor innovatie en experimenten in beleid en wetgeving.

Nederland was niet opgenomen in het lijstje, ondanks al onze hervormingen en investeringen zijn we er blijkbaar niet in geslaagd een duidelijke meerwaarde te realiseren. Sterker nog, we zijn niet voor niets met een inhaalslag taal en rekenen bezig.
Wat voor initiatieven zijn mogelijk om ook het Nederlandse onderwijs daadwerkelijk een stap vooruit te helpen? Daar komen we nog op terug...

zaterdag 9 november 2013

Framing - of hoe verkoop je je boodschap echt?

Sarah Gagestein (www.taalstrategie.nl) neemt ons in een workshop mee in de wereld van framing.
Framing gaat over het overdragen van ideeën. Je presenteert een beeld van de werkelijkheid door een bepaald deel van het verhaal te vertellen en andere delen weg te laten. Je speelt met de gevoelswaarde, lang niet altijd met argumenten. Denk aan de manier waarop Youp van 't Hek Böckler de das om deed. Mensen die Böckler dronken, werden weggezet als losers. 
Framing gaat niet over waarheid maar over werkelijkheid en de perceptie daarvan. Er zit ook iets in van manipulatie. Dat kan 'positief' gebruikt worden (dialoog) maar ook 'negatief' (zenden).
Een frame is een verhaal met specifieke woorden en/of beelden dat bepaalde delen van de werkelijkheid belicht en andere delen uitsluit om de luisteraar onbewust naar een beoogde interpretatie te sturen.
Kahneman geeft aan dat ons denken is onder te verdelen in systeem 1 en systeem 2. Systeem 2 is logisch, bewust, rationeel. Systeem 1 is het onderbewuste, associatief. Daar komen de dingen binnen en wordt een eerste perceptie gedaan. Pas later komt de waarneming en met name de perceptie ervan systeem 2 binnen. Soms leidt dat tot een herdefinitie van de perceptie, je denkt dan na over het waarheidsgehalte. Meestal gebeurt dat echter niet en blijven de eerste associaties hangen. In de praktijk is het dus ons 'slimme onbewuste' dat de controle over ons denken en gedrag heeft. 

Zonder gevoel kun je niet goed denken, beslissingen nemen. Met een beschadigde amygdala (emotioneel centrum) kun je geen beslissingen nemen omdat je geen gevoel hebt bij de alternatieven. Bij mensen die door een hersenbeschadiging alleen nog maar een korte termijn geheugen hebben, kunnen geen nieuwe kennis opnemen. Uit onderzoek blijkt echter dat er wel een emotioneel geheugen is. Systeem 2 is defect, maar toch blijkt het systeem 1 geheugen nog wel te werken.

Framing wordt veel gebruikt in de reclame. Een product moet een warm gevoel oproepen. Ook actiegroepen of politieke partijen weten er goed raad mee. Wakker Dier heeft een tijd geleden een actie gehad om 'scharrelei' te vervangen door 'schuurei' juist vanwege de minder positieve associatie daarvan. Om de tegenovergestelde reden spreken we niet van 'ontwikkelingshulp' (beeld van hand ophoudende, zielige mensen) maar van 'ontwikkelingssamenwerking' (je moet er wel iets voor doen). In Amerika hebben republikeinen de term 'estate tax' (erfbelasting) vervangen door 'death tax'. Dat roept een veel negatievere associatie op. Een 'estate' geeft het beeld van een landgoed als erfenis. Daar mag de staat best een beetje van meeprofiteren. Als Democraat heb je echter wat uit te leggen als je voor een 'death tax' bent. Zo is ook 'global warming' veranderd in het veel neutralere 'climate change'. Krantenkoppen zijn goede voorbeelden van framing. 'Asfaltdenken' of 'buurtterroristen' zijn bedoeld om mensen al een bepaalde richting in te laten denken.
Frames kunnen, zeker met herhaling, zich vastbijten in ons hoofd. Het is dan heel lastig om daar tegenin te gaan. De kunst van framing is tegelijkertijd om nieuwe paden in de hersenen aan te leggen.

Dat framing werkt, laat onderzoek zien. Een aantal mensen kregen het probleem van criminaliteit voorgeschoteld in 2 verschillende metaforen:

  • steeds meer mensen raken geïnfecteerd door de criminaliteit (virusmetafoor)
  • mensen worden steeds meer opgejaagd door de criminelen (monstermetafoor).
Toen mensen werden gevraagd mee te denken aan oplossingen kwam de eerste groep vooral met oplossingen om de infectiebron aan te pakken (opvang van jongeren, onderwijs) terwijl de andere groep het vooral zocht in het opjagen van de criminelen (meer blauw op straat, strafverhoging).

Hoe kun je framing toepassen?

  1. Begin met luisteren (de 'lieve lezers en luisteraars'-factor). Zoek naar de waarden die mensen voelen en sluit daar bij aan. Afhankelijk van wat je wilt bereiken gebruik je waarden als betrokkenheid, mededogen, verantwoordelijkheid of juist verspilling, hypocrisie, macht.
  2. Vertel het verhaal ( de 'nog lang en gelukkig'-factor)
    Je kunt hetzelfde verhaal vanuit meerdere invalshoeken vertellen: positief, negatief of ergens daar tussen in. Denk daarbij het verhaal van overspel vanuit het frame liefde, romantiek of juist vanuit het frame bedrog, leugen.
  3. De stelling (de 'hij komt binnen'-factor).
    Met name door in een stelling metaforen te gebruiken kunnen bepaalde frames worden getriggerd. Ook het gebruik van bepaalde woorden of zinnen werken versterkend: 'Yes, we can!'
Ik mocht in de rol van Jet Bussemaker bezuinigingen op de publieke omroep verdedigen tegen Matthijs van Nieuwkerk. Dit is wat ik er van maakte:
Nederland is een van de weinige landen die beschikken over een publieke omroep. Ik vind dat een groot goed. Tegelijkertijd zijn we een land in crisis. We moeten keuzes maken. Ik kom net van een basisschool. Ik heb daar gesproken met een groep ouders van kinderen in een klas met 42 leerlingen. Moet ik die mensen uitleggen dat een praatshow waar bn'ers ouwehoeren over andere bn'ers belangrijker is dan het verkleinen van klassen? Natuurlijk vindt een topper als Matthijs van Nieuwkerk dat we niet mogen bezuinigen op de publieke omroep. Het zou hem sieren als hij zijn pleidooi begint met het noemen van zijn jaarsalaris.