zondag 25 maart 2007

Managementconferentie (dl1)

Wat later dan de bedoeling was (inmiddels is de Managementconferentie alweer een paar dagen afgelopen) maar toch een paar impressies. Logisch om ook even te verwijzen naar Wilfred Rubens, wat ergens al gebeurt hoef ik niet over te doen!

Allereerst moet gezegd worden dat de organisatie meer dan perfect was. Niet alleen een goed inhoudelijk programma, een goede service maar ook aandacht voor cultuur en ontspanning. En volop gelegenheid om ervaringen uit te wisselen, te netwerken en afspraken te maken. Kortom: twee dagen onder de pannen geweest, twee weken nodig om te reflecteren, alle ideeën uit te werken en ervaringen door te spelen dan wel uit te wisselen. Enkele impressies van de bijgewoonde sessies.

  1. Het Servicecentrum (Gilde Opleidingen, Mick Waulthers)
    De titel ‘Onderwijs bepaalt de organisatiestructuur’ had me in wel op het verkeerde been gezet. Vanuit mijn wellicht beperkte denkkader van onderwijslogistiek had ik me er iets anders bij voorgesteld. Uiteindelijk toch een prima verhaal gehoord over de manier waarop bij Gilde Opleidingen een Servicecentrum is opgezet. Binnen Gilde is er voor gekozen om ondermeer het hele eerste deel van het primaire proces hebben ondergebracht in het Servicecentrum. Voorlichting, marketing, intake, plaatsing: dat wordt allemaal vanuit het servicecentrum georganiseerd. Daarnaast zijn ook andere zaken als alumni, internationalisering en projecten bij het Servicebureau ondergebracht. Een sterk punt in dit verhaal is dat het servicecentrum als een onderwijsunit is gepositioneerd. Het gaat immers om een deel van het primaire proces! De directeur wordt dan ook beschouwd als een onderwijsdirecteur en neemt vanuit die positie ook deel aan het onderwijsoverleg. Ook de opvang van deelnemers die uitvallen uit het reguliere onderwijs worden in het Servicecentrum opgevangen en bgeleid naar een nieuw traject. Het geheel past op een bepaalde manier ook in het project Flexibel Leren. Wellicht in dat kader meenemen als één van de praktijkcases.
  2. Rendement op het Dashboard (Koning Willem I, Christ Diepstraten en Honoré Didden)
    Het verhaal had betrekking op de manier waarop het KW1C tot de keuze van een management informatiesysteem zijn gekomen. Met een aantal leveranciers zijn trajecten opgezet waarbij zij in een proof of concept moesten laten zien dat het systeem werkte binnen de infrastructuur maar met name dat het systeem in staat was het rendement van het onderwijs in beeld te brengen. Het meest interessante van het verhaal is de manier waarop door Koning Willem I het begrip rendement wordt gedefinieerd. Dat gebeurt op basis van een aantal uitgangspunten: voor de externe verantwoording wordt elke deelnemer als een deelnemer van het KW1C beschouwd, er wordt verantwoording afgelegd over bekostigde deelnemers op het moment dat ze het college verlaten (= rendement KW1C). Ten aanzien van de interne sturing wordt op dezelfde manier gekeken naar het rendement van een afdeling (= afdelingsresultaat). Daarnaast wordt ook gekeken naar het ‘resultaat van opleiden’ (opleidingsresultaat). Bij alledrie de getallen wordt gekeken naar het aantal diploma’s gedeeld door het aantal deelnemers dat de opleiding dan wel het KW1C verlaten. Op deze manier kan het interne rendement in verband met overstappers een ander getal geven dan het uiteindelijke KW1C rendement. In het verhaal werd aangegeven dat het rendement iets anders is gedefinieerd dan door de MBO-raad momenteel wordt gedaan. Dat heeft te maken met het feit dat het KW1C al bezig was met deze definitie voordat de MBO-raad met een definitie kwam. In elk geval heeft de inspectie aangegeven akkoord te gaan met de methodiek. Helaas geen digitale presentatie bij de hand: de voorbeelden lieten zien dat vernuft niet moeilijk hoeft te zijn!
  3. De Netwerkschool (De Argumentenfabriek, Frank Kalshoven)
    (Om op de website van de netwerkschool binnen te komen moet je 2x inloggen met 'netwerkschool')
    Frank Kalshoven gaf tijdens de managementconferentie een presentatie van de Netwerkschool waarbij hij startte met een economische analyse van de huidige situatie in Nederland die op zijn zachtst gezegd een uitdaging vormen voor de publieke sector. Zo noemde hij onder meer de toenemende heterogeniteit van de samenleving. Was de samenleving van een aantal decennia geleden nog helder en transparant, op dit moment neemt de heterogeniteit alleen maar toe. Zo waren er toen maar een paar verschillende typen huishoudens. Moest er iets gebeuren aan het verbeteren van de koopkracht, dan waren de consequenties makkelijk te overzien. Nu er inmiddels meer dan 70 verschillende typeringen van huishoudens en even zoveel koopkrachtplaatjes bestaan is het een heel stuk complexer om te voorspellen van de effecten zullen zijn van bepaalde maatregelen of op welke manier bepaalde herstelmaatregelen kunnen worden uitgevoerd. Dat betekent ook dat het steeds duurder wordt om een bepaald bedrag te verdelen onder een bepaalde categorie huishoudens. Andere groeiende problemen zijn de vergrijzing en de toenemende complexiteit van de samenleving en de daarmee samenhangende problemen om het beleid uitgevoerd te krijgen. Hierbij gaat het vooral om trends die gepaard gaan met toenemende kosten. Er zijn ook trends die er toe leiden dat de opbrengsten voor de publieke sector kunnen gaan dalen. Eén van die trends wordt gevormd door het afnemende ‘scholingsdividend’. Een stijging van het aantal mensen dat naar het hoger onderwijs gaat zal ook gepaard gaan met een stijging in arbeidsproductiviteit. Hier speelt echter de wet van de afnemende meeropbrengst: twee keer zo veel hoog opgeleide mensen betekent niet dat de arbeidsproductiviteit twee keer zo snel stijgt. Uiteindelijk zal dat leiden tot een afvlakking van de economische groei en daarmee lagere opbrengsten voor de publieke sector in de vorm van belastingen. Ook noemde Kalshoven het schadelijke effect van de belastingen. Naarmate er meer belastingen worden geheven blijft er voor bedrijven minder over om te investeren, sterker nog, zullen ze eerder andere landen kiezen als locatie. Dat is slecht voor de economie. Het goede voorbeeld is Ierland dat juist door lage belastingtarieven heel aantrekkelijk is voor bedrijven met een grote economische groei als gevolg.

    Kalshoven noemde ook een aantal onderwijstrends. De Einsteingeneratie, technologische ontwikkelingen, vergrijzing, de kritische geluiden, de nieuwe sturingsfilosofie van de overheid, leven lang leren, stijgende kosten zonder gerelateerde toename van productiviteit, enzovoorts.

    Dat alles heeft geleid tot het idee van de Netwerkschool. Mooi uitgewerkt, helder neergezet. Maar nog mooier dat de visie en uitgangspunten voor een belangrijk deel overeenkomen met de (tussen-)resultaten van het project Flexibel Leren. Daar moeten we gebruik van maken!
  4. Managementgame @llure (Twijnstra & Gudde, Rob Rapmund)
    Ook hier weer een prima verhaal met aanknopingspunten voor de onderwijslogistiek. Een aantal uitgangspunten leidden tot een discussie in de zaal. Het ging daarbij om het van elkaar loskoppelen van een aantal processen: werving los van het onderwijs (in feite front-office – back-office) en dat weer los van examinering: dat is nog niet zo dramatisch. Maar ook de inzet van personeel is losgekoppeld: het hele personeel in een grote vergaarbak en oproepen op het moment dat ze nodig zijn. Vanuit flexibiliteit en bedrijfsvoering wellicht prima. Maar ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat het ledenbestand van Beter Onderwijs Nederland in zo’n situatie zou exploderen! Natuurlijk worden in het kader van de flexibele organisatie discussies gevoerd over het instellingsbreed inzetten van personeel tegenover het inrichten van zelfverantwoordelijke of zelfs zelfsturende teams, verantwoordelijk voor één of enkele opleidingen. Hier zullen we weer een balans in moeten zien te vinden!
    @llure is inmiddels door een 45-tal teams gespeeld en heeft hen veel inzicht gebracht. Er werd al geopperd om het voor een bezemklas toch nog eens te doen.

dinsdag 20 maart 2007

Onderwijsinnovatie (1)

Wanneer is een onderwijsinstelling innovatief? Naar mijn idee zijn er drie verschillende manieren om daar naar te kijken.

  1. De onderwijsinstelling levert een bijdrage aan het kennisniveau van een regio, die daardoor innovatief of innovatiever kan worden. Dit komt bijvoorbeeld bij ROC Westerschelde tot uitdrukking (de desbetreffende brochure heb ik nog nergens kunnen vinden, die houd je tegoed).
  2. De onderwijsinstelling is bezig met allerlei vernieuwingen in of rond het onderwijs. De School voor de Toekomst van het Koning Willem I College is daar een mooi voorbeeld van.
  3. De onderwijsinstelling maakt gebruikt van de nieuwste inzichten op diverse terreinen om het onderwijs zowel inhoudelijk als organisatorisch te verbeteren. En daar is natuurlijk bijna elk roc een voorbeeld van...

Zonder de andere vormen tekort te willen doen, gaat mijn aandacht momenteel vooral uit naar de laatste vorm: hoe krijgen we ons onderwijs 'zo goed als de Volkskrant', om toch nog even naar een eerder bericht te verwijzen.

Laten we in een paar afleveringen eens wat nader inzoomen op het beschrijven van een innovatieve onderwijsinstelling. We beginnen bij de 'dikke van Dale':

in·no·va·tie (de ~ (v.), ~s)

1 invoering van iets nieuws

in·no·va·tief (bn.)

1 vernieuwend

Wikipedia geeft al wat meer aan:

Innovatie of vernieuwing is het invoeren van nieuwe ideeën, goederen, diensten en processen. Innovatie kan plaatsvinden binnen organisaties maar ook binnen bredere verbanden. Het proces van innovatie draait om dingen op een nieuwe (en zo mogelijk ook betere) manier aan te pakken.

De desbetreffende wiki geeft al heel wat meer informatie naast de bovenstaande definitie. Met name dat er nogal een verschil is tussen een uitvinding en een innovatie. Dat is met een aardige metafoor wel duidelijk te maken.
Om voor de eerste auto van Schotland naar Londen te kunnen laten rijden moest er een paard en wagen met brandstof vooruit gestuurd worden. Om de zoveel kilometer moest er een hoeveelheid brandstof voor de auto achtergelaten worden. Met auto's alleen ben je er dus niet. Pas met een wegennet en een infrastructuur van tankstations kun je gaan spreken van een innovatie op het gebied van mobiliteit.
Met goede ideeën over competentiegericht onderwijs ben je er dus nog lang niet. Dat verklaart mijn belangstelling voor onderwijslogistiek: hoe krijgen we competentiegericht onderwijs georganiseerd? Daarnaast is het van belang, dat de mensen die het moeten uitvoeren het ook allemaal goed in de vingers hebben, zowel individueel als als team. En laten we de voorzieningen als gebouwen en ICT niet vergeten! Pas als al die factoren op de goede manier bij elkaar komen kan er daadwerkelijk sprake zijn van onderwijsinnovatie!

We gaan op zoek naar de voorbeelden en achtergronden...

woensdag 14 maart 2007

Expertmeeting onderwijslogistiek

De uitdaging voor het project Flexibel Leren is het vinden van aanknopingspunten om het onderwijs beter te organiseren. Het lijkt me een illusie om te denken dat we dat in en tijdsbestek van een paar maanden wel even kunnen regelen. Daarvoor is het domein te groot, het probleem te complex, de inzichten nog te beperkt. Zoals ik eerder al opmerkte: met betrekking tot het competentiegericht leren zitten we nog in het stadium van ´uitvinden´ of ´ontdekken´. Voordat het een echte innovatie kan zijn moet er nog heel wat gebeuren.

Parallel aan het project werkt een kenniskring aan een visie op een flexibele organisatie. Vanuit die visie kijkt de projectgroep naar de processen en activiteiten en werkt van daaruit toe naar een referentie-architectuur. Dat gebeurt overigens in samenwerking met de werkgroep Referentie-architectuur van ROC-i-Partners.
De projectgroep kijkt ook naar andere sectoren: er zijn tal van interessante artikelen geschreven vanuit bijvoorbeeld de zorgsector.

Op 12 maart heeft de projectgroep een bijeenkomst gehad met 3 experts op het gebied van logistiek op basis van een startnotitie.
Marc Vermeulen (directeur IVA, leidt ook het masterprograma voor onderwijsmanagers), Hans Mulder (directeur ViaGroep, heeft met name in de bouwsector veel gedaan op het onderling afstemmen van de transacties tussen de vele verschilende partijen) en Jack Kleijnen (hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg aan de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen) hebben hun visie gegeven op de problematiek. Natuurlijk is het jammer dat bij zo'n bijeenkomst standaard de omgekeerde wet van Hofstadter geldt: "je hebt altijd minder tijd dan je denkt, zelfs als je rekening houdt met de omgekeerde wet van Hofstadter".
Wilfred Rubens heeft al een prima impressie gegeven door op zijn weblog een aantal aandachtspunten te beschrijven.
Hieronder nog een paar aanvullende eye-openers van mijn kant:

1) Marc Vermeulen had het over het 'verborgen curriculum', datgene wat niet in het officiële curriculum zit maar wel ingebouwd is in de organisatie van het onderwijs. Het disciplinerend karakter van de zoemer, op tijd komen, afspraken nakomen, dat soort zaken. Maatschappelijke ontwikkelingen kunnen dan wel leiden tot een andere vorm van onderwijsorganisatie maar daarmee loop je het risico veel van het huidige verborgen curriculum kwijt te raken. Dat hoeft naar mijn idee niet verkeerd te zijn, als je er maar wel aandacht aan besteed.

2) Gerelateerd aan het vorige punt moet in de opzet van een onderwijsorganisatie rekening gehouden worden met een aantal bijzonder essentiële zaken binnen het onderwijs:
- role modelling, de voorbeeldfunctie van de docent
- leerlingen willen worden geïnspireerd (zie ook de rapportage over de Balansschool)
- onderwijs gaat ook over vertrouwen en reputatie
In de stukken over onderwijslogistiek komt dit te weinig aan bod. Dat is een terechte opmerking, hoewel ik er de kanttekeing bij maak, dat er wel degelijk aandacht voor is in bijvoorbeeld de kenniskring.

3) Van logistiek binnen je eigen organisatie naar ketenbeheer. Kijk naar de voordelen die je kunt halen door samen te werken. Enerzijds kun je daarbij denken aan de doorlopende leerlijn. Ik denk meer aan een ketenbenadering binnen een ROC. Samenwerking tussen opleidingen, afstemmen op elkaar. Daar moet een efficiency slag te maken zijn!

4) De 'jobshop' benadering van het onderwijs. Eerst het concept eens helder krijgen.
Wilfred heeft er een (beperkte) wiki bij gevonden.  Daar maak ik uit op dat het gaat om flexibele 'teams' (?), die van klus naar klus kunnen gaan. Googlen levert veel baantjes sites op, alsmede een applicatieontwikkelaar die de productie van bedrijven plant. Jack Kleijnen zou aanvullende literatuur opzoeken.
Even vanuit mijn intuïtie geredeneerd. Een opleiding in de vorm van een jobshop vereist een frontoffice waar de leerling aankomt, waar een leerarrangement wordt klaargezet. De uitvoering van het onderwijs in de backoffice gebeurt in fasen door bepaalde teams. Voortdurend wordt bijgestuurd op basis van de voortgang en ontwikkeling van de lerende. Naar mijn idee past het plaatje nog niet eens zo slecht bij 'het Leren Organiseren', het resultaat van het e-experiment van ROC Eindhoven.

Er is naturlijk nog veel meer te vertellen. Het verslag van de bijeenkomst komt binnenkort. Er volgen nog verslagen van enkele praktijkvoorbeelden, er wordt gewerkt aan de referentie-architectuur. Volgende week een presentatie op de Managementconferentie. Daar gaan we nu mee aan de slag.

Misverstanden over het nieuwe leren

Vanmiddag kwam ik via het e-zine van Cinop bij een artikel van Robert-Jan Simons over 6 misverstanden over het nieuwe leren. Nu zijn er veel meer mensen die daar het zelfde over dachten, ik ga er hier dus niet al te diep op in. Simons doet zijn verhaal wat uitgebreider in een prima interview in Trouw (met dank aan Wilfred voor de link).
Er zijn meer verhalen te vinden. Zo heeft Dick de Bie een eerste artikel van een serie van 3 over de misverstanden geschreven op de website van BeroepDocent.
Van Monique Volman (lector van de HAN) verscheen een artikel op de website van Blik op de Wereld over de 'mooie verhalen die ook bij het nieuwe leren horen' naar aanleiding van een inleiding die zij heeft gegeven bij een debat 'Ruim baan voor het Nieuwe Leren'.
En zo zijn er nog veel meer verhalen te vinden...

donderdag 8 maart 2007

Onderwijslogistiek (4)

Het project Flexibel Leren moet in samenhang met de Kenniskring Onderwijslogistiek komen tot een aantal handreikingen ten aanzien van het organiseren van het nieuwe onderwijs. Op dit moment zijn het spannende tijden!
Op maandag 5 maart is de Kenniskring voor de derde keer bij elkaar gekomen. Tijdens de bijeenkomst is er in groepen gewerkt aan verhalen over het onderwijs van de toekomst. Hoe ervaart een deelnemer, een ouder, maar ook een wethouder of een ondernemer het onderwijs van een MBO-instelling? Die verhalen zijn vervolgens verwerkt in (weliswaar heel globale) brochures van onderwijsinstellingen. Omdat de projectgroep op 12 maart in discussie gaat met enkele experts op het gebied van logistiek heb ik de brochures in elkaar geschoven tot één geheel om op basis daarvan de discussie te kunnen voeren.
Download BrochureOnderwijslogistiekv02.doc
Het doel van de bijeenkomst van 12 maart is in elk geval een aantal logistieke principes te definiëren die onderwijsinstellingen kunnen helpen bij het organiseren van flexibel onderwijs! Daarover later meer.

dinsdag 6 maart 2007

Competentiegericht leren in de krant (2)

En alweer een column over het nieuwe onderwijs, het competentiegerichte leren in de Volkskrant. Dit keer van Pieter Hilhorst. Het stukje is ook te lezen op zijn weblog. Maar dit stukje was me uit het hart gegrepen. Pieter is zelf eens in de praktijk gaan kijken. Een dagje roc, een dagje competentiegericht leren in de praktijk.
De voorbeelden liegen er niet om: er gaapt nog een grote kloof tussen de theorie van het nieuwe leren en de dagelijkse praktijk in de schoolbanken. Maar gelukkig trapt hij niet de valkuil om het nieuwe leren dus maar meteen als mislukt experiment te bestempelen.
In zijn boek 'de vijfde discipline' beschrijft Peter Senge ergens aan het begin wat het verschil is tussen een ontdekking of een uitvinding en een innovatie. Pas als een ontdekking of uitvinding leidt tot een daadwerkelijke verandering in het handelen van mensen of een organisatie is er sprake van innovatie. Mensen moeten wennen aan iets nieuws voordat ze het gaan gebruiken, vervolgens passen ze hun manier van werken (of leren) aan. Processen veranderen. En als de effecten bevallen, wordt de verandering doorgezet en is er sprake van een innovatie.
Vanuit die optiek is het duidelijk dat 'het nieuwe leren' in het stadium van 'ontdekking'  of 'uitvinding' zit. Er moet nog heel wat gebeuren voordat het echt bij iedereen tussen de oren zit en de onderwijsorganisaties er op ingericht zijn, de wetgeving er op is afgestemd, er voldoende lesmaterialen beschikbaar zijn, enzovoorts. Het probleem is dat je het niet een klein beetje kunt proberen, je zult het integraal moeten aanpakken. Alsof je langzaamaan een fiets kunt bouwen door te beginnen met het voorwiel, om vervolgens te roepen dat het niet werkt, dat je nog steeds niet kunt fietsen om dan maar het hele idee van een fiets maar weg te gooien...

Vanmiddag door een collega gewezen op een grappig filmpje op YouTube, een competentiesketch van Wim Sterken op een bijeenkomst van, ja hoe kan het ook anders, Beter Onderwijs Nederland.

donderdag 1 maart 2007

Naar een nieuwe Kennisnetdienst, de 'repository'

Op 1 maart werd in het kader van het programma van de Educatieve Contentketen een nieuw proeftuinproject ten aanzien van een ‘educatieve repository’ gepresenteerd.

(Overigens maakt het project eveneens deel uit van het actieprogramma ‘Verbonden met ICT’ dat is opgezet op basis van het gelijknamige beleidsplan van het Ministerie van OC&W.)

Een repository moet worden beschouwd als een opslagsysteem van files met de bijbehorende metadata (de kenmerken van opgeslagen content). Er zijn allerlei files mogelijk: documenten, online cursus, website, sheets, audio- of videobestanden, noem maar op.

Natuurlijk hebben nogal wat onderwijs­instellingen inmiddels een systeem in huis waarin content kan worden opgeslagen. Denk aan elo’s en (leer)content­management­systemen (LCMS). Een centrale repository biedt echter meerwaarde omdat op die manier zelfgemaakte content ergens kan worden opgeslagen en gedeeld met anderen. Voorwaarde is natuurlijk wel dat de materialen gemetadateerd zijn. In het MO is daarvoor een metadata standaard ontwikkeld, het contentzoekprofiel.

Overigens ontbreekt het in de interne systemen nogal eens aan beschrijvingen van die content op basis waarvan de content gevonden en dus herbruikt kan worden. Metadateren is dan ook niet gebruikelijk. Op zich wel logisch want het is een vervelende klus en kost soms meer tijd dan het maken van het document zelf!

Kennisnet heeft in samenwerking met Surfnet een repository in een proeftuinversie laten bouwen en is nu op zoek naar ervaringsgegevens. Wat komt er allemaal kijken bij de toepassing van het systeem in een onderwijsorganisatie?

Kenmerken proeftuinversie

·         Elke organisatie krijgt in de repository zijn eigen virtuele repository.

·         Inloggen voor beheerders (plaatsen en metadateren van materiaal), omdat de omvang van het project in termen van aantallen deelnemers nu nog beperkt is, kunnen inlogaccounts bij Kennisnet worden aangevraagd

·         Er is een simpele zoekfunctionaliteit voor de beheerder: tekst waarmee in alle metadatavelden wordt gezocht.

·         Toevoegen van zowel content als links, de content is vooralsnog openbaar. In een later stadium wordt e ook een mogelijkheid van ebsloten communities voorzien.

·         Er is nog geen XML-upload voor metadata

De repository kan toegankelijk gemaakt worden door middel van een speciale zoekinterface: een ‘harvester’, een applicatie die de metadata verzameld en die beschikbaar stelt via een zoekmachine. De informatie in de harvester is ook te ontsluiten via eigen zoekmachines. Je kunt dan via de zoekmachine in je eigen elo op zoek gaan naar bepaald materiaal maar dan uitkomen bij het materiaal dat extern staat, bijvoorbeeld in de repository. Er zijn verschillende inmiddels verschillende harvesters waaronder Edurep (een resultaat van het ECK-programma van Kennisnet). De website SamenZoeken, gemaakt door APS, maakt gebruik van de Edurep harvester.

De repository is in het huidige stadium van een haalbaarheidsonderzoek nog een tijdelijke dienst, die in elk geval tot december beschikbaar is. In de zomer zal worden bekeken wat voor conclusies kunnen worden getrokken:
(1) werkt niet, overlaten aan een marktpartij
(2) leuk maar behoeft verbetering dus een verlenging van de proeftuin

(3) succesvol dus proeftuin omzetten in een dienst.

De conclusies worden apart voor het MO en HO getrokken.

Het haalbaarheidsonderzoek is gericht op het uitvoeren van praktijkprojecten binnen onderwijs­instellingen. Kennisnet heeft een format opgesteld voor een klein plan van aanpak. De proefperiode is beperkt: van april tot juli. De proeftuin blijft echter zeker dit jaar beschikbaar.

De beperkte tijd die beschikbaar is, maakt het uitproberen van het systeem in het onderwijs nagenoeg onmogelijk. Toch zou het mogeljk moeten zijn om en paar mensen ervaring te laten opdoen met het systeem om vervolgens een workshop te organiseren voor een aantal docenten om hen de bruikbaarheid te laten beoordelen. Op die manier zouden enkele roc’s kunnen samenwerken om rond een bepaald onderwerp (bijvoorbeeld taalopdrachten) zelfgemaakte opdrachten uit te wisselen…