zaterdag 23 februari 2008

Dijsselbloem en het nieuwe leren

In het rapport van de commissie Dijsselbloem wordt ook een hoofdstuk gewijd aan 'het nieuwe leren'. Het hoofdstuk biedt een mooi overzicht van de historie, de achtergronden, de misvattingen en de tweestrijd, die door verschillende kampen wordt gevoerd.

Een paar aandachtspunten op een rijtje:

  • Over de verhouding 'wat' en 'hoe'

Van Wieringen (Onderwijsinspectie): "Wat je in de afgelopen tijd hebt gezien, is dat de didactiek opgerukt is, dat je de manier waarop leerlingen leren op een voetstuk hebt geplaatst en dat als het ware datgene wat geleerd wordt van secundair belang wordt geacht, alsof dat voortvloeit uit een manier van leren."

en:
Ook de heer Simons constateerde in zijn gesprek met de onderzoekscommissie dat er teveel aandacht uitgaat naar het «hoe» en veel te weinig naar het «wat».

Hier wordt duidelijk gemaakt dat het accent is verlegd van inhoud naar proces. Ooit ingegeven door het idee dat kennis snel verouderde, dat je beter kunt leren hoe je kennis moest verwerven dan de kennis die je moest verwerken. Kennis was immers binnen de kortste keren achterhaald. Dat er een groot verschil bestaat tussen (snel verouderende) beroepsmatige kennis en (universele) basiskennis werd veel te weinig onderkend. Nog steeds zie je in veel onderwijsconcepten terugkomen, dat de kenniscomponent gerelateerd moet zijn aan het praktijkonderwijs, waarmee in feite de kenniscomponent te veel ondergeschikt wordt gemaakt.

  • De consequenties van te weinig basiskennis:

Kirschner (hoogleraar Onderwijspsychologie en -technologie aan de Universiteit Utrecht): "In onze hersens gebeuren twee dingen. We zien iets en als we al een cognitief schema, een soort kapstok, in ons hoofd hebben, kunnen wij het beeld assimileren tot ons nemen als het daar goed in past.
....Als het er niet goed in past en wij het als vreemd beschouwen, gaan onze hersens die schema’s of kapstokken opnieuw rangschikken. Dat heet accommoderen."

In feite wordt hier aangegeven, dat er allerlei vreemde kennisconstructen kunnen ontstaan als de goede basiskennis ontbreekt.

Het rapport stelt dan:

Dit soort effecten van de introductie van het nieuwe leren was door een aantal voortrekkers niet voorzien, noch beoogd. Duffy, Simons en Van der Linden beschreven in 1995 het nieuwe leren nadrukkelijk als een aanvulling op de bestaande manieren van leren. Zij pleitten voor meer diverse werkvormen, zoals zelfstandig leren en samenwerkend leren, afhankelijk van datgene wat verworven moet worden (welke kennis, welke vaardigheden) en diegene om wie het gaat.

  • Het nieuwe leren is niet voor iedereen even goed:

Zeer actueel in dit verband is de discussie in het basisonderwijs over het taal- en rekenonderwijs, met name toegespitst op het rekenen. Het realistisch rekenen in het basisonderwijs, waarbij de leerling zelf zijn oplossingsstrategie moet bedenken, wortelt in het constructivistische denken. Er is momenteel veel kritiek op deze rekenmethode. Uit onderzoek blijkt dat rekenzwakke leerlingen juist meer baat hebben bij traditionele lesmethodes.

Coen Free gaf het al aan: elke leerling heeft recht op een ongelijke behandeling!
Dat vraagt wel wat van het onderwijs: een individuele benadering, aansluiten bij voorkennis en leerstijl. Dat willen de onderwijsinstellingen wel, maar het in de praktijk brengen, is nog lang niet overal gerealiseerd.

Wat betekent dit voor de vormgeving van competentiegericht onderwijs? De theoretische component is in de afgelopen jaren te veel ondergesneeuwd. Die moet nadrukkelijk in het curriculum worden opgenomen. Een benadering waarbij de theorie alleen vanuit de praktijk moet worden aangeboden, is dus niet verstandig. De kwalificatiedossiers voor de opleidingen van het MBO beschrijven (in 'deel C') de relatie tussen werkprocessen, de competenties en de kennis- (en vaardigheids)component. Dat betekent nog niet, dat de theorie dus altijd in de context van het werkproces (de praktijk) moet worden aangeboden! Dat betekent eigenlijk ook, dat theorie-examens helemaal niet hoeven te worden uitgesloten als onderdeel van (de beroepscomponent van) het examenprogramma. En dat zou best wel eens een deel van de oplossing kunnen zijn voor de uitvoerbaarheid van dat examenprogramma. Er kleven immers allerlei praktische problemen aan het examineren van studenten door middel van een aantal 'proeven van bekwaamheid'.

Dit soort onderzoeken helpen (mij in elk geval) dus bij het verbeteren van het beeld op (het inrichten van) competentiegericht beroepsonderwijs.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reacties zijn welkom