zondag 10 april 2011

CVI Managementconferentie - (4) Macrodoelmatigheid in het MBO ... #cvimc



Jan van Zijl, voorzitter van de MBO-raad, gaat in één van de sessies in op de macrodoelmatigheid in het MBO in een publiek met veel CvB-leden. Dat levert een boeiende discussie op. Hij refereert daarbij aan het onderzoek, dat de MBO-raad heeft laten uitvoeren door het IVA en KBA.

Van Zijl geeft eerst een toelichting op de aspecten, die samenhangen met het begrip. Hij omschrijft macrodoelmatigheid als:

Optimaal beroepsonderwijs bieden aan MBO-studenten op een kostenefficiente manier, leidend tot een duurzame plek op de arbeidsmarkt (en dat is nog iets anders dan vacaturevervulling).

Je kunt er op verschillende manieren naar kijken. Gaat het bijvoorbeeld om een nationaal of regionaal vraagstuk?
Arbeidsmarktrelevantie is een belangrijk aspect. In Nederland hebben studenten een vrije keus. Dat is misschien niet efficiënt als je kijkt naar de tekorten op de arbeidsmarkt. Toch kan daar niet direct op worden gestuurd, hooguit indirect. Denk aan het actieprogramma Techniek. Je kunt als opvatting hebben dat er vanwege de vergrijzing een structureel tekort zal zijn op de arbeidsmarkt, dus dat het eigenlijk niet zoveel uitmaakt wat studenten voor opleiding kiezen. Vanwege de krapte op de arbeidsmarkt komen ze toch wel aan een baan.
De vraag is wel of dat doelmatig is. Een krappe arbeidsmarkt betekent weliswaar minder werklozen en dus minder uitkeringen maar onvervulde vacatures gaan ten koste van economische en dus welvaartsgroei. Er is dus veel aan gelegen om jonge mensen op een plek te krijgen waar ze nodig zijn. Daarbij komt dat er sprake is van een leegloop van het MBO. De toegenomen belangstelling voor de HAVO speelt daarbij een belangrijke rol. Inmiddels zijn er signalen dat de eisen aan de HAVO worden verzwaard en dat er bovendien mogelijkheden komen voor een associate degree, niveau 5 opleidingen, bij het MBO. Dat zijn in elk geval gunstige ontwikkelingen tegenover die leegloop.

Ook de omvang van opleidingen vormt een van de aspecten. Hoe kijk je aan tegen grote opleidingen (horeca) of juist tegen heel kleine opleidingen (pianostemmers). Voor kleinere opleidingen is het een stuk lastiger om dat regionaal te organiseren.
Tot nu toe konden scholen zich vrijelijk ontwikkelen, dat daarbij concurrentie kon ontstaan was nauwelijks een probleem. De concurrentie begint inmiddels wat onaangenamer te worden. Vreemd fenomeen is eigenlijk dat alle scholen denken te kunnen groeien, terwijl er toch sprake is van een dalend studentenaanbod. Dat betekent eigenlijk: concurreren of samenwerken, sturen op een volle bak of op kwaliteit! De vraag naar samenwerking wordt prangender, ook omdat er bij stakeholders zoals werkgevers het beeld bestaat: die scholen doen maar wat. Vervolgens zet de politiek er druk op om zaken anders aan te pakken. Dat kan leiden tot een zeer directieve aanpak, tenzij de sector aantoont dat ze er door samenwerking zelf uit kunnen komen.
Per regio is een analyse nodig en moeten regionale tafels worden georganiseerd waar afspraken worden gemaakt over. Dat is niet automatisch eenvoudig: Wat is een regio? Wat doe je met instellingen die over meerdere regio's is verdeeld?
In elk geval is het belangrijk om een grondige arbeidsmarktanalyse te maken en vervolgens afspraken te maken. Op een aantal plaatsen gebeurt dat al. Als men er in de regio er niet uitkomt, dan moet er een plek zijn waar geëscaleerd kan worden. Waarschijnlijk komt dat te liggen bij de nieuwe Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.
Er zijn pilots nodig om ervaring op te doen. Dat kan in de regio's waar het het overleg al gestart is, maar het is belangrijk om ook een moeilijke regio meenemen (randstad). Er is al een procescoördinator benoemd die het vraagstuk moet gaan begeleiden.

Ook de vermindering van het aantal kwalificatiedossiers is een thema. Uitgangspunt is, dat een diploma is gerelateerd aan een crebonummer en niet aan een uitstroomprofiel. In elk geval heeft de minister een paar jaar rust afgekondigd aan het front van de kwalificaties: voorlopig geen wijzigingen.

Er wordt nog even gesproken over 'hype-opleidingen'. Opleidingen waar veel vraag naar is maar die nauwelijks arbeidsrelevant zijn. Artiestenopleidingen worden genoemd. De vraag is of dat altijd erg is. Veel mensen gaan later toch wat anders doen, maar hebben dan wel al veel geleerd, al kunnen we ons dit niet onbeperkt permitteren. Het is niet altijd erg. Natuurlijk is er maar heel beperkt behoefte aan 'caviaknuffelaars' hoeweel veel studenten aangeven 'iets te willen doen met dieren'.
In de praktijk blijkt dat de competenties die daarbij horen, prima passen in de zorg, waar veel van die studenten later dan alsnog aan de slag kunnen. In feite is dat dan toch macrodoelmatig, al betekent dat nog niet dat er onbeperkt allerlei opleidingen afgestemd moeten worden op wat studenten graag willen. Dat leidt wel tot het risico dat studenten naar de HAVO gaan. Daar zullen echter de eisen worden aangescherpt, dat zal het MBO helpen.

Wat betekent dit alles voor de competenties van bestuurders? In elk geval is de tijdgeest veranderd, zowel voor de bestuurders als voor de scholen. Waren scholen tot voor kort nog maatschappelijke ondernemingen, inmiddels zijn het weer gewoon scholen. Dat betekent niet automatisch dat 'ondernemen' niet meer zou mogen maar het is geen doel op zich. Als het gaat om het een bijdrage aan het onderwijs, dan is dat nog iets anders!

De huidige ontwikkelingen vragen om een bredere kijk die verder gaat dan de eigen toko. En natuurlijk, ook bestuurders hebben nog te leren, het zou vreemd zijn als die zouden denken dat er niets meer te leren viel. Er wordt momenteel gewerkt aan een bestuurdersvereniging die ook die professionalisering moet adresseren. Ook andere sectoren hebben te maken met vergelijkbare ontwikkelingen, daar is eveneens van te leren en mee op te trekken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reacties zijn welkom