vrijdag 9 mei 2008

Onderwijs in de Sociale Agenda

Het is alweer een tijd geleden dat de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) is samenwerking met het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken (TSS) en de Volkskrant een project uitvoerden om het publiek te vragen mee te denken over een sociale agenda. Het resultaat is een boekwerk '30 plannen voor een beter Nederland', dat ik sinds vorige week heb. In dit boekwerk wordt op 7 terreinen door een deskundige op basis van de resultaten van het project een visie gegeven, die vervolgens door 2 co-referenten nog eens onder de loep worden genomen. Er werd specifiek gevraagd om ook te kijken naar de kosten en de baten van de plannen.

Jaap Dronkers is gevraagd om zijn visie te geven op de manier waarop het onderwijs kan zorgen dat talenten van jongeren beter worden benut. Hij beperkt zich tot het basis- en voortgezet onderwijs omdat daar het rendement van de investeringen het grootst is, zowel in omvang van het aantal leerlingen als in het realiseren van de noodzakelijke basiskennis en -vaardigheden, nodig voor een succes in een latere loopbaan. Het is niet helemaal duidelijk of de maatregelen, die hij noemt, nu expliciet voor die sectoren geldt of ook doorgetrokken dienen te worden naar het beroepsonderwijs en hoger onderwijs.
Hij noemt een aantal maatregelen effectiever te maken (hij noemt er vier maar gooit er een paar op een hoop, zodat ik eigenlijk op wat meer maatregelen uitkom).

  1. Hij pleit voor een bepaalde vorm van concurrentie door grootschalige scholen bestuurlijk op te knippen in kleinere eenheden. Die concurrentie om leerlingen en leerkrachten moet de kwaliteit positief beïnvloeden.
    Het gaat daarbij overigens niet zozeer om het realiseren van kleine scholen, die blijken niet effectiever te zijn dan grote scholen.
  2. Het bestuur van een school moet een aangelegenheid zijn van ouders, onderwijsgevenden en maatschappelijke partijen. Dat bevordert het gevoel van betrokkenheid en daarmee de kwaliteit.
  3. Een centraal schriftelijk examen, zodat de resultaten onafhankelijk getoetst kunnen worden. Er moet meer nadruk worden gelegd op kennis dan op diploma's.
  4. De invloed van de inspectie moet worden beperkt tot de resultaten. In elk geval geen bemoeienis van de inspectie met de processen. De inspectie moet de mogelijkheid hebben om sneller scholen te sluiten of zelfs failliet te kunnen laten verklaren als ze slecht presteren in termen van gerealiseerde kennisontwikkeling.
  5. De professionaliteit moet worden verbeterd door meer universitair geschoolden in te zetten, in eerste instantie op sleutelposities, later op meer plaatsen.
  6. Stapelen en doorstromen moet worden gestimuleerd. Talenten kunnen zich ontwikkelen, ook in een later stadium. Door daar geen gelegenheid voor te bieden, worden talenten verspild.

Dronkers gaat in een paar aparte paragrafen in op het (beter) benutten van talenten. In zijn analyse laat hij zien dat echt onbenut talent onder autochtonen nauwelijks nog voorkomt maar des te meer bij (kinderen van) migranten. Over de kosten en baten geeft Dronkers aan, dat eigenlijk alleen de maatregelen met betrekking tot de professionalisering geld kosten, hij schat dat op pakweg € 850 miljoen structureel. Niet zoveel in vergelijking met de kosten van de klassenverkleining in het basisonderwijs van € 640 miljoen, waar menig deskundige al had aangegeven dat dat een bijzonder ineffectieve maatregel was. Bovendien is er al een behoorlijke pot van € 700 miljoen voor het tegengaan van het docententekort.

Ik had van een onderwijskundig hoofdstuk in een dergelijk boek toch meer verwacht! Het artikel is een beetje zurig van toon. Een opmerking als 'veel ROC's zijn trieste voorbeelden van dergelijke onderwijsmonopolies' past meer in een (persoonlijke) column dan in een expert-essay. Bovendien vraag ik me af, of deze maatregelen de problemen in het onderwijs echt oplossen of dat er sprake is van wishful thinking, gebaseerd op allerlei aannames (meer concurrentie, 'dus' effectievere scholen?).

In een tweetal commentaren geven Kete Kervezee (Onderwijsinspectie) en Roel Gordijn (directeur bij het Overboschcollege, een 'zwarte school' in Den Haag) weerwoord. Daarbij wordt het concurrentieverhaal en bestuurlijke betrokkenheid van tripartite besturen in twijfel getrokken. Kervezee is het eens met eindexamens, ook op basisscholen om scholen op die manier te dwingen meer openheid te geven over de leerresultaten. Zij vraagt in elk geval meer aandacht voor de ongediplomeerde uitval, het beperkte taalniveau en de toenemende agressie op scholen. Gordijn geeft aan, dat hij het accent liever op het leren legt dan op eindexamens. Over het belang van professionalisering en de inzet van hoger opgeleiden zijn ze het allemaal eens.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Reacties zijn welkom